Spring naar inhoud

Duitsland : quo vadis | Standpunt van Geert Janssens, hoofdeconoom VKW Metena

De Tijd maakte vandaag bekend dat de Duitse economie onverwacht krimpt met 0,2%. De financiële krant citeert daarbij  ING-econoom Carsten Brzeski. ‘Voor het eerst sinds 2007 steekt de Europese economie de eigen Duitse groeimotor voorbij’, merkt Brzeski op. ‘Dat is geen signaal van een kentering in een eurocrisis, maar wel een symptoom van de huidige race naar onderen’.  

Klik hier voor het artikel op Tijd.be

Geert Janssens | VKW Metena

Hoofdeconoom van VKW, Geert Janssens, gebruikte vorige week al de grafiek die De Tijd publiceert om de krimp te illustreren. Janssens argumenteerde toen dat Duitsland dreigt geconfronteerd te worden met een deflatie. ‘Duitsland ligt midden in de Eurozone en ondanks alle mooie retoriek over exportwereldkampioen en dergelijke blijft men zeer afhankelijk van Europa’, zegt Janssens vandaag. ‘Dat geldt ook voor enkele landen die zeer sterk in de schulden zitten zoals het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Duitsland zal dus meer moeten gaan consumeren om op die manier meer interne groei te ontwikkelen.’

Volgens Janssens gaat dit in tegen de gangbare ideeën en mythes. ‘Het Mercantillisme is op zijn grenzen gestoten’, zegt de VKW-hoofdeconoom. ‘Dat geldt ook voor China. Export die je zelf financiert creëert geen welvaart. Dat de Bundesbank nu zelf pleit voor hogere loonstijgingen is alvast opmerkelijk.

Janssens publiceerde een lijvige beschouwing over de Duitse economie.

Klik hieronder door om die te lezen.

TIP: deelnemers aan Life Insurance Summit krijgen het boek ‘De muizenval‘ van Geert Janssens gratis. U kan nog inschrijven. Klik hier. 

 Duitsland: quo vadis?

Steeds meer vooraanstaande Duitse economen zijn van mening dat Duitsland ruimte heeft voor substantiële loonsverhogingen. Ook binnen de Bundesbank gaan er stemmen op in die richting. Deze historische beleidsommekeer is goed nieuws voor de concurrentiekracht van de rest van Europa maar de weg die moet worden afgelegd, blijft lang.

1. Duits handelsoverschot: groot maar eenzijdig

Snellere Duitse loonstijgingen zouden wel degelijk knagen aan de concurrentiekracht van onze Oosterburen maar meer ten aanzien van de eurozone dan ten opzichte van de rest van de wereld. Dat leert een blik op tabel 1 met de tien landen die in 2013 het meest hebben bijdragen tot het Duits handelsoverschot. Dat overschot dikte aan tot 197,6 miljard euro. Opvallend is dat bijdrage van de top 10 reeds oploopt tot 178 miljard, wat meer is dan 90%. Dat ook de top 3 reeds meer dan de helft van dit overschot voor haar rekening neemt, wijst op een grote afhankelijkheid van een beperkt aantal landen. Dat heeft gevolgen voor de wijze waarop een stijging van de Duitse loonkosten zal doorwerken in de concurrentiekracht. Met meer verre markten zoals Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië doen loonkostenevoluties er weinig toe. De loonverschillen zijn immers te groot. Met landen zoals de VS, het VK en Zwitserland zijn de loonkostenverschillen een pak kleiner maar ook hier zijn wisselkoersschommelingen minstens even belangrijk voor de concurrentiekracht.

Loonkostenevoluties zijn vooral van belang tussen landen uit de eurozone. Bijvoorbeeld, met Frankrijk en Spanje zijn de wisselkoersverhoudingen vastgeklonken waardoor directe concurrentieaanpassingen enkel nog kunnen via loonkosten en prijzen. Duitse loonstijgingen verzwakken de eigen concurrentiekracht maar versterken zwakkere eurolanden. Dat leidt tot meer evenwichtige handelsrelaties wat nodig is om de euro te doen overleven. Uiteindelijk nemen we aan dat dit ook goed is voor Duitsland. Immers, de eurozone en Europa blijven belangrijke handelspartners. Vorig jaar was de eurozone goed voor 35% van de Duitse export. Het aandeel van de EU-27 beloopt nog steeds meer dan de helft met 53%. Geheel Europa (zonder Rusland) haalt nog steeds een aandeel van 66%. Het vasthouden aan de Europese gedachte – en dus ook de euro – lijkt dus ook voor Duitsland van levensbelang. 

Tabel 1 – Duits handelsoverschot 2013 – landentop 10 (in miljard euro)

Verenigde Staten

39,9

Frankrijk

36,1

Verenigd Koninkrijk

33,1

Oostenrijk

19,4

Turkije

9,3

Ver. Arabische Emiraten

9,1

Zwitserland

9,1

Spanje

7,7

Saoedi-Arabië

7,6

Zweden

6,7

Totaal

197,6

Bron: Duitse statistische dienst

2. En onze concurrentiekracht?

Dat de eurozone een sterk verweven markt is, blijkt nog meer uit de Belgische handelscijfers. Waar Europa goed is voor 80% van onze export , neemt de eurozone 60% voor haar rekening. Onze drie referentieburen (Duitsland, Nederland en Frankrijk) vertegenwoordigen de helft. Vorig jaar exporteerden we voor 40 miljard naar Duitsland; omgekeerd konden onze Oosterburen voor 42,2 miljard bij ons afzetten. Samen met Frankrijk is Duitsland onze belangrijkste exportmarkt.  Ook voor België zouden de Duitse loonstijgingen aldus meer dan welgekomen zijn. De Belgische loonkostenhandicap ten aanzien van Duitsland (gecorrigeerd voor productiviteit) is aanzienlijk en zou enkele procentpunten kunnen afnemen (figuur 1), namelijk van 23,2% in 2012 naar 21,5% in 2015. Hierbij houden we rekening met Duitse nominale loonstijgingen van 2,4% in 2014 en 3,4% in 2015 (zoals die eerder door de Oeso werden ingecalculeerd). Voor België zouden de loonstijgingen beperkt blijven tot 0,8% in 2014 en 1,6% in 2015. Dat laatste is onder meer een gevolg van de lage inflatie en het feit dat de uittredende regering een reële loonstop heeft afgekondigd.

Figuur 1 – Loonkostenhandicap België ten opzichte van Duitsland (1996=100)

GJ_Duitsl_fig1

Bron: VKW Metena obv Oeso-data

Opmerking: De loonkostenhandicap wordt gemeten in loonkosten per eenheid product. We vergelijken de nominale loonkostenstijging gecorrigeerd voor evoluties in de productiviteit.

Dat onze loonkostenhandicap met Duitsland enkele procentpunten zou afnemen, is in elk geval mooi meegenomen maar desondanks blijft het concurrentievoordeel voor de Duitsers aanzienlijk. Figuur 2 laat zien hoe vooral na de millenniumwissel de Duitse loonkosten (gecorrigeerd voor productiviteit) beduidend minder snel stegen dan bij ons. Uiteraard stegen de Duitse lonen in nominale termen maar gecorrigeerd voor productiviteit mogen we vanaf 2004 spreken van een loonkostenbevriezing die zelfs uitdraait op een loonkostendeflatie. De financiële crisis bracht deze relatieve daling van de loonkosten tot een einde. Een scherpe daling van de productiviteit joeg ook de Duitse loonkosten per eenheid product tijdens de crisis de hoogte in. Als vanaf 2010 de economie herstelt en de productiviteit terug stijgt, wordt die forse loonkostenstijging terug afgevlakt. Vanaf 2012 gaat het echter terug in opwaartse zin.

 

Figuur 2 – Evolutie loonkosten België versus Duitsland (1996=100)

GJ_Duitsl_fig2

Bron: VKW Metena obv Oeso-data

Opmerking: De loonkosten worden gemeten in loonkosten per eenheid product. We corrigeren de nominale loonkosten voor productiviteit.

3. Typisch Belgisch probleem

Dat onze concurrentiekracht slechts in beperkte mate heeft kunnen profiteren van de Duitse kostenstijgingen sinds 2008, heeft uiteraard alles te maken met onze eigen kostenevolutie. Bij wet stijgen de Belgische loonkosten minimaal met de gezondheidsindex. Die index steeg in 2011 en 2012 met respectievelijk 3,1 en 2,6%. Dat onze concurrentiekracht ten opzichte van Duitsland vanaf 2013 verbetert, hebben we dan ook vooral te danken aan de zwakke stijging van de gezondheidsindex met amper 1,3% in 2013. Dit jaar blijft de index wellicht hangen op 0,7%. Dit is vooral een gevolg van de daling van de energieprijzen.

De daling van onze loonkostenhandicap heeft dus eerder te maken met deze uitzonderlijk lage inflatie dan met extreem hoge loonkostenstijgingen in Duitsland. We mogen dus niet te snel victorie kraaien. Figuren 1 en 2 suggereren dat de kostenvoorsprong van de Duitsers nog niet meteen zal opgesoupeerd zijn. Overigens, ten opzichte van onze drie belangrijkste handelspartners (Duitsland –Frankrijk –Nederland ofwel de EU-3), neemt onze loonkostenhandicap nauwelijks af. Figuur 3 laat zien dat deze handicap blijft hangen rond 10%. Dat heeft onder meer ook te maken met onze minder gunstige productiviteitsevolutie.

 

Figuur 3 – Loonkostenevolutie België ten opzichte van de EU-3 (1996=100)

GJ_Duitsl_fig3

Bron: VKW Metena obv Oeso-data

Opmerking: De loonkostenhandicap wordt gemeten in loonkosten per eenheid product. We vergelijken de nominale loonkostenstijging gecorrigeerd voor evoluties in de productiviteit.

 

4. Zijn de Duitsers gek geworden?

Spelen de Duitsers nu met vuur wanneer ze de teugels zouden vieren? Of worden ze zelfgenoegzaam nu ze ook wereldkampioen voetbal zijn geworden? Hun titel van wereldkampioen export hebben ze reeds moeten afstaan aan de Chinezen en zelfs de VS konden de Duitsers vorig jaar naar een derde plaats verdringen. Maar er staat veel meer op het spel dan een plaats op een ranglijst.

Het ultieme argument van de Bundesbank om de lonen vandaag te laten stijgen, is de zeer lage inflatie. Om de inflatiedoelstelling van de ECB op 2% te houden, is het noodzakelijk dat consumenten en bedrijven een inflatieverwachting aanhouden die in dezelfde ordegrootte ligt. Met prijsstijgingen op jaarbasis van amper 0,5% riskeren die verwachtingen echter een stuk lager te komen liggen. In de eurozone zijn de industriële prijzen de voorbije maanden zelfs gestagneerd en reeds lichtjes beginnen te dalen. Zo dreigt niet alleen Duitsland maar de gehele eurozone in een neerwaartse of deflatoire spiraal terecht te komen. Er zijn wat dat betreft momenteel veel gelijkenissen tussen de huidige toestand van de eurozone en het Japan van de jaren negentig. Deflatie is als een zwart gat. Eens je er naartoe wordt gezogen, is er geen ontkomen meer aan. Loonstijgingen kunnen de cirkel misschien doorbreken omdat ze de prijzen opdrijven en de verwachtingen dienaangaande opnieuw in lijn brengen met de inflatiedoelstelling van de centrale bank. De Bundesbank roept de vakbonden aldus op om hun looneisen af te stemmen op de inflatiedoelstelling van de centrale bank, of nog, om te doen alsof de inflatie vandaag werkelijk 2% bedraagt. Daardoor zou de echte inflatie op termijn terug aantrekken.

Een lossere loonpolitiek kan bovendien helpen vermijden dat de gehele eurozone in een deflatoire spiraal blijft hangen. De eurolanden van Zuid-Europa kampen met een kostenprobleem maar kunnen hun wisselkoersen niet aanpassen. Ofwel stappen ze uit de eurozone, ofwel voeren ze een harde besparingspolitiek die hen er weer bovenop helpt. Maar hoe krijg je een economie aan de praat als die zich moet dood besparen om te kunnen concurreren met een economie die nog meer bespaart? Het startschot van de kredietcrisis ligt reeds 6 jaar achter ons. De VS en het VK zijn economieën met een vrije wisselkoers. Ze hebben beide diep in de nesten hebben gezeten en kijken nog steeds aan tegen een torenhoge schuld. Niettemin beginnen ze terug te groeien aan een behoorlijk tempo. Die groei is noodzakelijk om de schuldgraad te verlichten.  De eurozone en de EU hinken echter flink achterop. Om de vicieuze cirkel in Europa te doorbreken, is een lossere loonpolitiek en minder besparingsdrift bij de sterkste landen van de eurozone onontbeerlijk. Twee vijfde van de Duitse import komt nog steeds uit de eurozone en 70% uit Europa. Los van het feit dat er nog tal van institutionele verbeteringen aan de constructie van de euro moeten worden aangebracht, zou extra Duitse consumptie het redden van de euro aanzienlijk vergemakkelijken.

Echter ook voor de Duitsers zelf zijn hogere lonen een nuttige zaak. De Duitse economische groei was de voorbije 15 jaren (te) sterk afhankelijk van export. Maar hoe hoog groeien die exportbomen? Exportoverschotten zijn bovendien niet zaligmakend gebleken. De macro-economische dynamiek van extreme overschotten werkt op termijn averechts, onder meer door het risico dat er te weinig wordt uitgegeven in de binnenlandse economie. De Duitse exportobsessie heeft zich inderdaad vertaald in lage consumptie en ondermaatse investeringen in de Duitse infrastructuur. De politiek van lage lonen en loondiscipline heeft de rol van binnenlandse consumptie als stabiliserende conjunctuurfactor lange tijd uitgehold. Ondanks hoge tewerkstellingscijfers is men er niet in geslaagd de ongelijkheid terug te dringen. Een minder intuïtief inzicht is dat exportoverschotten samengaan met kapitaaluitvoer. En die uitvoer is een ware ramp gebleken. Veel van het Duits spaargeld en dus ook de exportoverschotten, is in rook opgegaan. Denken we maar aan sub-prime beleggingen, Iers en Spaans vastgoed en tal van andere buitenlandse investeringsavonturen vanwege Duitse banken. In een wereld met onevenwichtige handel is het niet makkelijk om spaaroverschotten zinvol te beleggen. Zonder dat ze dit zelf beseften, hebben de Duitsers een groot deel van hun export naar Zuid-Europa zelf gefinancierd. Daarmee was de cirkel van het geld rond.

5. Conclusie

Voor een open economie als de Belgische komen hogere looneisen bij één van haar belangrijkste handelspartners als geroepen. Toch is dit geen reden om op onze lauweren te rusten. Onze loonkostenhandicap reageerde veel minder fel dan men zou verwachten op basis van de beduidend snellere groei van de Duitse loonkosten sinds het uitbreken van de crisis. Het voornaamste effect is dat de handicap niet verder is gestegen. Dat hij dit en volgend jaar lichtjes zal afnemen, hebben we te danken aan de mildere inflatie. We doen er dus goed aan om ook de volgende jaren onze loondiscipline in de gaten te houden.

Bij onze Oosterburen is de situatie omgekeerd. Hier lijkt een verandering van paradigma in de maak. Dat de Bundesbank hogere looneisen bepleit, is zoals vloeken in de kerk. Haar naar Duitse normen contra-intuïtieve aanpak is een gevolg van het feit dat men eindelijk inziet dat het moeilijk is om de kool én de geit te sparen. Ofwel kiest men voor eenheid in Europa, ofwel voor meer verdeeldheid. De euro kan niet half worden gered of hij gaat volledig verloren. Er is geenszins een definitieve keuze gemaakt en ze is allerminst gemakkelijk. De besparingsdrang zit verknocht in de Duitse genen maar er zijn binnenlandse redenen genoeg om te opteren voor een zachtere loonpolitiek. Na jarenlange soberheid wil de werknemer boter bij de vis. Het gebrek aan consumptie en investeringen wegen op de toekomstige groei en welvaart.

Voor een definitieve omslag moeten echter nog een aantal taboes sneuvelen en zullen bepaalde obsessies moeten worden losgelaten. De bijna hysterische vrees voor inflatie maakt dat de Duitsere quasi blind zijn geworden voor het omgekeerde gevaar, namelijk dat van de vernietigende deflatie. Dat de Bundesbank de vakbonden aanmaant tot looneisen die vertrekken van haar eigen inflatiedoelstelling van 2%, is dan ook ronduit historisch. We zijn dan ook benieuwd naar het vervolg. Kan de Bundesbank voet bij stuk houden? Of zal ze moeten plooien voor conservatieve krachten die gewend zijn om het verleden naadloos te projecteren naar de toekomst? Hoe dan ook, met een lossere loonpolitiek kunnen de Duitsers zich in elk geval ontdoen van de kritiek dat ze met hun eenzijdige  besparingsobsessie Zuid-Europa nog dieper in de deflatoire spiraal duwen en het voortbestaan van de euro op de helling zetten. Misschien willen de Duitsers hun afspraak met de geschiedenis niet missen en bewijzen dat men kan leren uit de fouten van het verleden. Immers, tijdens het interbellum waren de rollen omgekeerd. Toen waren het de geallieerde mogendheden die een fel verzwakt Duitsland na WO I nog dieper in de afgrond van de wanhoop stortten. Misschien worden de Duitsers straks wereldkampioen in historisch inzicht.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.

%d bloggers liken dit: