Levensverzekering

De overlijdensproblematiek in aanvullende pensioenen is puur een communicatieprobleem

Het gespecialiseerde financiële dagblad De Tijd haalt vrijdag snoeihard uit naar de regeling voor aanvullende pensioenen in ons land. De krant heeft het vooral over de dekking overlijden die in een aantal gevallen kan wegvallen. Als een werknemer een contract heeft van het klassieke type en hij of zij verandert van baan of van statuut, kan het inderdaad zijn dat die dekking overlijden vervalt als de werknemer geen actie onderneemt. De nabestaanden kunnen in zulke gevallen voor een zeer onaangename verrassing komen te staan.

Technisch kan die situatie echter moeilijk aan de sector worden verweten. Om dat duidelijk te maken is het goed om de problematiek even scherper te duiden. De situatie waar journaliste Ellen Cleeren het over heeft zijn contracten van het type ‘Uitgesteld Kapitaal Zonder Tegenverzekering’ (UKZT). Dat zijn contracten die nog gebaseerd zijn op de klassieke levensverzekeringstechniek die in ons land al jarenlang nauwelijks noch gebruikt wordt. In feite zijn zulke contracten nog echt gebaseerd op het kansprincipe. Als de verzekeringnemer een bepaalde leeftijd haalt, krijgt hij een kapitaal. Sterft hij voor de eindleeftijd, dan krijgt hij niks en zijn ook alle premies voor de maatschappij.

Het is evident dat dit type van verzekering, zelfs vroeger, nauwelijks in zijn pure vorm werd afgesloten. Om de situatie in geval van vroegtijdig overlijden te ondervangen bestonden drie opties. De verzekeringnemer kan naast zijn UKZT een pure overlijdensverzekering plaatsen, die een vast kapitaal uitkeert aan de nabestaanden. Hij of zij kan ook opteren voor een formule Uitgesteld Kapitaal Met Tegenverzekering. In dat geval worden meestal de netto premies terugbetaald bij vroegtijdig overlijden. De derde optie is een verzekering van het type gemengde, waarin vaste kapitalen zijn gedefinieerd bij overlijden en bij pensioen.

In de drie opties wordt de dekking overlijden in een klassiek type van verzekering, gefinancierd met een gedeelte van de premie. Als de werknemer echter van werkgever verandert of om een andere reden niet meer in het groepsverzekeringscontract valt, wordt er ook geen premie meer betaald. In de meeste gevallen, en zonder bijkomende instructies van de verzekeringnemer om de reserve te switchen, schrappen de maatschappijen daarom de risicodekking. Als dat niet zou gebeuren, zou de overlijdensdekking immers uit de pensioenreserve moeten gefinancierd worden. Dat is juridisch-technisch niet altijd mogelijk in een klasiek contract. Het is in een aantal gevallen ook niet wenselijk omdat het de reserve te zwaar zou aanvreten.

De problematiek die De Tijd aanklaagt heeft dan ook niks met verzekeringstechniek te maken, het is louter een communicatieprobleem. De klant moet duidelijk inzien wat de consequenties zijn van het wegvallen van de premie en hoe hij of zij dat eventueel kan oplossen. Ook op dat vlak kunnen wij de krant niet helemaal volgen. De journalist heeft het over te late communicatie. Het is echter niet omdat een aantal maatschappijen te laat zouden communiceren over de gevolgen van een carrièreswitch op de groepsverzekering, dat de klant niet zal ingrijpen. In veel gevallen is echter de taal waarin die communicatie gebeurt erg technisch. Wie niet thuis is in het jargon van levensverzekeraars begrijpt allicht nauwelijks wat de opties zijn waarmee de maatschappij uitpakt. In Nederland is dat veel strakker geregeld. Maatschappijen krijgen er een beoordeling op de begrijpelijkheid van de taal die ze hanteren. Bij ons vindt de regelgever dat allicht te betuttelend. In dit geval blijkt het nochtans cruciaal te zijn.

Het heeft dan ook weinig zin dat het FSMA gaat toezien op het respecteren van de strakke deadlines die voorzien zijn in de wetgeving als de boodschap niet duidelijk is. De regelgever moet in de eerste plaats toezien op de inhoud van de communicatie. Die moet juist, eenvoudig en transparant zijn.

Stellen dat de problematiek zich niet meer voordoet in de moderne levensverzekeringscontracten van het type Universal Life is overigens ook niet juist. In zulke contracten wordt in principe de netto-beschikbare reserve uitgekeerd bij overlijden. Veel verzekeringsnemers kiezen echter voor een hogere waarborg. Dat excedent wordt technisch gezien uit de reserve gefinancierd, en dus niet langer uit de premie. Als de premiebetaling in zulk contract wegvalt hoeft dat geen probleem te zijn voor de dekking overlijden. Maar net daarom is een bewuste en gemotiveerde keuze van de verzekeringsnemer ook in de nieuwe contracten meer dan nodig. Het FSMA weet dus wat het moet doen. De communicatie van de maatschappijen moet in de eerste plaats beter, en duidelijker. Als het daarna ook nog snel kan is dat een aardige plus.

1 antwoord »

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.